VisserLOU DE PALINGBOER, OMARMD EN OMSTREDEN
Vriend en vijand hebben zich niet onbetuigd gelaten in het doen verspreiden van feitjes, weetjes en nieuwtjes over Lou de palingboer. Dat riep hij overigens zelf over zich af. Een dorpsjongen uit een christelijk - gereformeerd milieu - één van dertien kinderen - die dagdromend en zoekend van ambacht naar ongeluk hobbelt en dan op een nacht meent een ‘teken Gods” te hebben ontvangen, wat hem doet besluiten zich te manifesteren als “de levende Christus op aarde”, baart weliswaar opzien, maar wordt tegelijkertijd niet alom serieus genomen. En de scepsis werd alleen maar groter toen hij zich een aantal jaren later permitteerde - en pretendeerde - God te zijn, in levende lijve nog wel! Toen waren hoon en spot niet meer van de lucht, nadat menigeen hem voordien nog had beschouwd als een merkwaardig, maar goedmoedig “verschijnsel”.
Dat zou de inleiding - en mogelijk ook de aanleiding - zijn tot het doen aanzwellen van “negatieve berichtgeving, praatjes, geruchten verdenkingen, beschuldigingen, ze deden driftig de ronde. Natuurlijk is nooit goed komen vast te staan - laat staan b e w e z e n - wat er allemaal mis was in Muiderberg. Intimidatie, malversatie, seksuele uitspattingen, kortom alle excessen die doorgaans in één adem worden genoemd in verband met sektes, ze zouden zich ook hebben voorgedaan in het Witte Huis, een voormalig hotel in Muiderberg. De trouwe aanhang van Lou - Mien voorop - sprak het vierkant tegen, de roddelpers smulde ervan en weggelopen volgelingen kwamen allengs met de vuile was naar buiten. De media, inclusief de radio en later ook de televisie, leende hen een willig oor. Lou had toen zijn periodieke spreekbeurten in het Amsterdamse gebouw Frascati allang stopgezet - zijn aanhang moest het doen met “de boodschap” via de bandrecorder of het maandblad Lou - en hij zou ten slotte tot tweemaal toe de wijk nemen naar België. Daar zou hij uiteindelijk - op 23 maart 1968 - komen te overlijden, tot verbijstering van de meegereisde volgelingen. Immers Lou zou toch onsterfelijk zijn...
DE LEER VAN LOU
Lou Voorthuijzen meende dat het zijn opdracht was om de mens te bevrijden van de Satan, de “belichaming” van alle kwaad. Om gelouterd te kunnen worden diende men onvoorwaardelijk in - Lou te zijn, zoals dat heette. Alleen dan zou men verlost kunnen worden van de duivel en wachtte wellicht het eeuwige leven doordat de uitverkorenen het Einde der Tijden zouden overleven. Lou zelf had zich van Satan ontdaan na de “ontmoeting” met een lichtende ster en had daarmee de onsterfelijkheid al ‘verdiend”. Met andere woorden: hij was God, vond Mien...
Om in - Lou te kunnen geraken moest men zijn IK uitschakelen en niet DENKEN; immers de (be)denkers waren verantwoordelijk voor het kwaad, zoals de atoombom en het gifgas. Volgelingen dienden te leven naar de regels van Lou’s “evangelie”, dat seksuele onthouding voorschreef, het consulteren van medici verbood en nog enkele minder belastende dogma’s. Ofschoon Lou’s leer nauwelijks onder een noemer was te brengen stond de gedachte, dat de mens - ten gevolge van de zondeval - volkomen te kort schoot tegenover God, er centraal in.
PUBLICATIES IN ALLE SOORTEN EN MATEN
Het optreden van Lou de palingboer leidde niet alleen in de dag- en weekbladen de geïllustreerde pers tot tal van publicaties - zelfs in buitenlandse bladen - ook een groot schrijver als Harry Mulisch stond er bij stil. Hij had een spreekbeurt bijgewoond en vervolgens had hij Lou en Mien - samen met zijn boezemvriend, de schaakgrootmeester Jan Hein Donner - bezocht. Dat bezoek leverde een zeer ironisch hoofdstuk op in zijn boek Voer voor psychologen (1961). In zijn toneelstuk Tanchelijn (1960) zijn trefzekere parallellen getrokken met het verschijnsel Lou.
Sinds 1962 gaf de Lou- groep een maandblad uit, waarvan enkele jaargangen in boekvorm verschenen. Tezelfdertijd werd ook een langspeelplaat met preken van Lou uitgebracht Op straat had de jeugd vat gekregen op het lied Ik ben Lou de palingboer, waarvan de tekst op den duur steeds vrijer werd geïnterpreteerd, tot soms niet al te fatsoenlijke versies. Allerminst vleiend was ook het boek Lou de palingboer, de mystieke minnaar, van de hand van Christine van Inghen, schuilnaam voor een ex-volgeling, die schreef over “het seksleven van Lou met zijn engelen” (vrouwelijke volgelingen binnen de sekte).
De musical “Visser naast God” is overigens niet de eerste theaterproductie over Lou; in 1998 speelde het Amsterdamse gezelschap Toetssteen Gods Palingboer, een toneelstuk van Ger Beukenkamp.
GEVOELIG OF NIET
Op verjaardagsfeestjes zijn het de twee verboden onderwerpen: geloof en politiek! Maar ook in het theater - de plaats waar ALLES gezegd en gedaan moet kunnen worden - is met name de religie toch op z’ n minst een gevoelige zaak. Ooit werd “Allerzielen” van Herman Heijermans door gemeentebesturen verboden en veel korter geleden trof een cabaretprogramma van Robert Long en Leen Jongewaard hetzelfde lot.
Goed, we zijn inmiddels weer zoveel jaren verder (en wijzer) en zo langzamerhand zijn alle taboes wel zo’ n beetje opgeruimd, maar ten aanzien van de religie lijkt de gevoeligheid groter dan ooit. “Visser naast God” gaat ook over godsdienst, maar dan wel van een hoogstmerkwaardige makelij! Gedachtespinsels van een eenling, geloofd door een relatief gering aantal mensen. De geestelijke vader ervan is al 25 jaar dood, al heette hij onsterfelijk te zijn en van zijn volgelingen is hooguit nog een handjevol over. Kortom, Lou de palingboer is historie.
Daarop moet vrijmoedig kunnen worden teruggekeken. Nu of nooit!